🥚 Alles over: Basisrekenkaartjes

 

 

 

De eerste hobbel die bij het rekenen genomen moet worden, is het optellen en aftrekken over het tiental. Vaak zie je het zelfs in groep 8 nog terug als die hobbel niet goed genomen is. Met deze Basiskaartjes wordt dit op een speelse manier geoefend in een dominospel.

Er zijn dominokaartjes met alle minsommen en plussommen 'over het tiental' tot 20. Gaan deze goed dan kan er geoefend worden met dergelijke sommen tot 100. De kaartjes kunnen ook als zelfcorrigerend materiaal ingezet worden.  Kortom, deze Basiskaartjes zijn eigenlijk onmisbaar!

🧠 Het RT-Geheim: Waarom werkt dit zo goed?

Bij het rekenen over het tiental blijven veel kinderen op de vingers tellen.  Sommigen doen dat razendsnel, en bij de plussommen werkt dit meestal ook wel goed. Maar bij de minsommen over het tiental worden veel fouten gemaakt, omdat terugtellen minder goed geautomatiseerd is. Bovendien houdt al dat tellen de automatisering tegen.

Uit onderzoek blijkt dat voor zwakke rekenaars de zg. rijgstrategie het beste werkt. Dat wil zeggen, dat bij bijvoorbeeld de som 13 - 7 eerst de lossen afgetrokken moeten worden, en wat dan overblijft is de som 10 - 4. Het enige wat geautomatiseerd moet worden zijn de splitsingen en de vriendjes van 10.  Het rekenen over het tiental via de splitsingen gaat uiteindelijk razendsnel.

En het spelelement van een dominospel maakt het aantrekkelijk.

 

✂️ De Voorbereiding

  1. Open de Zomer-Rekenbox (PDF) op je computer.

  2. Print de pagina’s met de Basisrekenkaartjes. 

  3. Knip de kaartjes uit. De kaartjes waar de 10-sommen op staan blijven dubbele (domino)kaartjes.

  4. De andere kaartjes (splitsingen, sommen boven de 29) knip je los van elkaar.

  5.  Lamineer de kaartjes en/of print ze op dikker papier. Dat speelt makkelijker.

Fase 1: Basisdomino

  • Dit spel speel je met de kaartjes met de plus- en minsommen tot 20. Iedere speler krijgt 8 kaartjes. Het startkaartje wordt neergelegd en speler 1 kijkt of hij/zij                                     een kaartje kloppend kan aanleggen. In het voorbeeld hierboven  is 10 - 1 de hulpsom bij 11 - 2.  Bij 11 - 3 hoort de hulpsom 10 - 2 enz.
  • De speler die een kaartje aanlegt, mag een kaartje met de uitkomst op de som pakken. In het voorbeeld hierboven heeft speler 1  het kaartje 10 - 1 aangelegd, en mag dus antwoordkaartje 9 pakken. De beurt is dan over.
  • Als een speler niet kan aanleggen, pakt hij/zij een kaartje van de stapel en is de beurt voorbij. 
  • Als een speler geen kaartjes meer heeft, mag hij 5 nieuwe kaartjes van de stapel pakken. 
  • Als er geen fouten worden gemaakt, zijn aan het eind van het spel alle kaartjes aangelegd en zijn de antwoordkaartjes op.
  • De speler met de meeste antwoordkaartjes wint het spel.

Fase 2: Memory

  • Dit spel kan met alle kaartjes gespeeld worden in verschillende combinaties. Knip de kaartjes los van elkaar.
  • Zoek een minsom over het tiental en de 10-som die erbij hoort. Speel dit spel met een deel van de kaartjes, bijvoorbeeld alleen de sommen waarmee een bepaalde splitsing geoefend wordt.
  • Er kan ook gespeeld worden met de minsommen en de splitsing die erbij hoort, of met de minsommen en het antwoord. Laat na iedere gevonden match het antwoord op de som noemen.

Fase 3: Set

  • Zorg dat er steeds 9 kaartjes op tafel liggen. Iedereen  zoekt naar een match tussen som en splitsing of som en antwoord. Zie je er één dan roep je de uitkomst van de som en mag je de kaartjes pakken.
  • Dit spel kan met de minsommen en bijbehorende splitskaartjes gespeeld worden: bij 11 - 4 hoort de het  splitskaarje van de 4 (1-3), maar ook met de somkaartjes en de bijbehorende 10-som, of zelfs met een set van 3 bij elkaar horende sommen. 16 - 8, de splitsing 6-2, en de 10-som of de uitkomst enz. Allerlei variaties zijn mogelijk.
  • Met de kaartjes met sommen tussen de 20 en 100 kunnen combinaties gemaakt worden met de splitskaartjes. Dus bij de som 23 - 6 hoort de splitsing 6-3-3.
  • Deze combinaties kunnen gemaakt worden in het memoryspel en bij het set-spel. Daarbij horen dan weer de uitkomstkaartjes met getallen boven de 20.          

Zelfcontrolerend oefenen

  • Met de sommen tot 20 kan je kind ook zelf spelen. Het legt dan de kaartjes neer volgens het dominoprincipe. Als alle kaartjes goed aangelegd zijn, zijn alle kaartjes op aan het eind. Zo niet, laat je kind dan zelf zoeken waar het fout is gegaan. 
  • Ook met de andere kaartjes kan zelfcontrolerend geoefend worden. Bij elke som hoort een antwoord, als  je het niet kunt vinden heb je ergens een fout gemaakt.